• Achtergrond

  • 10 regels voor de langlaufer

    Wellicht bekend van de posters bij de loipe, maar hier nog eens op een rijtje:

    1. RESPECT! Elke langlaufer moet zich zo gedragen dat hij de anderen niet in gevaar brengt.

    2. KEUZE VAN DE LOIPE! Kies steeds een piste waarvan de moeilijkheidsgraad en de lengte overeenstemmen met je niveau.

    3. KEUZE VAN HET SPOOR! De traagste langlaufer neemt steeds het meest rechtse spoor, zodat de snellere links kan inhalen. Ski je in een groep, dan steeds het linker spoor vrijlaten.

    4. RESPECTEER DE WEGWIJZERS! Respecteer de signalisatie, de te volgen gedragsregels op de infopanelen, de richtingaanwijzers. Ski steeds in de aangegeven richting.

    5. RESPECTEER HET SPOOR! Houd de loipe in goede staat: in het spoor stijgen, het spoor verlaten, spoorwisselen, volgens de regels van de kunst, zonder te beschadigen (les nemen !). In de mate van het mogelijke moet de langlaufer de skitechniek beoefenen die de piste hem voorschrijft: dubbel spoor voor de klassieke pas, geruld breed spoor voor skating.

    6. SNELHEID AANPASSEN! Iedere langlaufer moet zijn snelheid aanpassen aan zijn eigen kunnen, aan de toestand van het terrein, de staat van de sneeuw, het aantal medeskiërs. Steeds afstand houden en soms een gewilde gecontroleerde val maken om een botsing te vermijden.

    7. KRUISEN EN INHALEN! Wanneer gekruist moet worden, steeds uitwijken naar het linkse spoor. Bij kruisen en inhalen de stokken steeds dicht tegen het lichaam houden.

    8. STILSTAAN EN VRIJE DOORGANG! Wanneer gestopt wordt, alleen of in groep, ga je steeds uit het spoor ! Bij een val moet het spoor zo snel mogelijk worden vrijgemaakt. Opstaan na een val oefenen (les nemen !). Ingeval het spoor gebruikt wordt in beide richtingen, heeft de afdaler voorrang op de stijger (de klimmer moet dus uit het spoor !).

    9. ONGEVAL! Ben je getuige van een ongeval, dan ben je verplicht hulp te bieden en je identiteit bekend te maken.

    10. RESPECT VOOR HET MILIEU!  Nergens afval en vuil achterlaten, maar steeds meenemen. Aanplantingen en begroeiing ongemoeid laten. Wild nooit achternazitten.